Voor een standaard vlaaivorm van circa 28-30 cm heb je nodig:
Deeg kneden: Meng de gist met de lauwe melk. Voeg bloem, suiker, boter en zout toe. Kneed tot een soepel, elastisch deeg.
Eerste rijs: Laat het deeg op een warme plek circa 30-60 minuten rijzen onder een vochtige doek tot het in volume verdubbeld is.
Vorm bekleden: Rol het deeg uit tot een dunne lap die iets groter is dan je vlaaivorm. Vet de vorm in en leg het deeg erin. Druk de randjes goed aan (dit noemen bakkers opduimen) en verwijder overtollig deeg met een deegroller.
Vullen: Prik gaatjes in de bodem en vul de vlaai. Klassieke vullingen zijn: Fruit: Kersen, abrikozen, pruimen of appels (vaak gebonden met wat custard of vlaaivullingpoeder). Pap: Rijstebrij of griesmeelpap.
Afwerking: Je kunt de vlaai open laten, afdekken met een deksel van deeg (dekselvlaai), een rasterwerk (linzenvlaai), of bestrooien met kruimels (kruimelvlaai).
Bakken: Bak de vlaai in een voorverwarmde oven op circa 200-220 grC gedurende 20 tot 25 minuten tot de randen goudbruin zijn.